| |||||
Gabriëlle verachtte zichzelf, terwijl ze tussen Lidhia’s lijfwachten in verder zwom — verder bij magister Toenak vandaan. Wáárom had ze geen sneller antwoord weten te bedenken!? Wáárom had ze zó doorzichtig gereageerd!? Ze bootste zichzelf spottend overdreven na: „Dat kàn ik niet! Pûh!” „Blijkbaar ben ik ònder water net zo’n slappeling als erbóven,” fluisterde ze tegen zichzelf. Het kwam er in keurig Waterlings uit. Ze zuchtte eens; realiseerde zich dat die term eigenlijk niet geschikt was voor de onderwatervariant, al kon ze zo snel geen betere verzinnen. Wat zou Lidhia nu gedaan hebben? dacht ze. Ze probeerde het antwoord op die vraag te bedenken: zou de prinses hebben aangedrongen bij de magister om haar met zich mee te laten komen, nadat ze Trikticlic en de andere dolfijnen geroepen had? Zou ze haar lijfwachten ervan hebben overtuigd dat ze met z’n drieën moesten omkeren? Ze wist het: ze wist het niet. Het was een vertrouwd gevoel dat ze niet vertrouwde. Ze vermoedde dat Lidhia vanuit haar gevoelens voor de magister niets liever zou willen dan bij hem blijven en hem terzijde te staan. Aan de andere kant stond daar het feit dat ze een opdracht van niemand minder dan juist Toenak had. Dàt wist ze zeker. Dat, en het inmiddels welbekende verlangen van Lidhia om een goede prinses te zijn. Maar wat hield het in: een ‘goede’ prinses zijn!? Zij was niet als prinses opgevoed! „Ja, en Lidhia niet als luchtlinge,” mompelde ze voor zich uit bij de herinnering aan de worsteling die de prinses boven water had doorstaan. „Pardon, Hoogheid?” vroeg luitenant Vertoc, die schuin links boven haar zwom, verbaasd. „Niets, laat maar,” zei Gabriëlle afwezig. Ze zette Lidhia’s kaken op elkaar — waarbij ze ongenadig fel op de tong van de prinses beet — en nam een besluit. Ze was bepaald geen slechte zwemmer: haar vader noemde haar op vakantie en in het zwembad altijd een waterratje, en met Lidhia’s flippers en de kleine zwemvliezen tussen haar vingers kon ze redelijk goed overweg. Maar haar lijfwachten maakten gebruik van hun beplating, en die handigheid miste zij. Voor háár hadden de vreemdvormige aanhangsels een ongecontroleerde, remmende werking, omdat ze geen flauw idee had hoe zij ze moest aansturen. Ze genoot er altijd van wanneer Lidhia soepeltjes door het water gleed, en had er meermaals over gefantaseerd dat zèlf nog eens te kunnen doen… maar haar eigen zwemervaring viel haar op déze manier flink tegen. Het leek wel alsof ze met al haar kleren aan zwom! „Ik ben moe,” gaf ze naar waarheid toe. „En ik heb na die steek van die rog misschien tòch meer moeite om mijn pantserplaten onder controle te krijgen dan ik dacht. Misschien is het beter als u vast vooruit zwemt om mijn vader te waarschuwen, luitenant Vertoc,” stelde ze voor. Ze kreeg een aarzelende blik ten antwoord van de waterling die rechts van haar zwom. „Excuses, Hoogheid, maar ik ben luitenant Kamisec,” zei hij, en hij wees op zijn kameraad. „Dàt is luitenant Vertoc.” Lidhia’s gezicht gloeide terwijl Gabriëlle een nederige verontschuldiging stamelde en als verklaring opgaf dat ze dat best wist, maar er met haar gedachten niet helemaal bij was. „Het is al goed, Hoogheid,” knikte Vertoc haar toe. „Uw verontschuldiging wordt bijzonder gewaardeerd. Wenst u dat ik vooruit zwem?” „Graag,” knikte Gabriëlle hartgrondig. „Of nee, wacht…! Luitenant Kamisec?” „Ja, Hoogheid?” reageerde de luitenant. „Zoudt ú misschien vooruit willen zwemmen om mijn vader en de generaal te waarschuwen? Ik wil graag even met luitenant Vertoc spreken.” Na een instemmende knik spoot Kamisec als een losgelaten torpedo naar voren, vol bewondering nagekeken door Gabriëlle, die zich al snel opmaakte om verder te zwemmen en nu vastbesloten was de bediening van Lidhia’s pantserplaten zo snel mogelijk onder de knie te krijgen. Zó was ze alleen maar een belemmering voor de andere waterlingen…! „Ik heb u nog niet bedankt voor uw verdedigende actie, toen ik aangevallen werd door die rog,” begon ze tegen Vertoc. „Sta mij toe dat hierbij te doen.” „Hoogheid,” reageerde Vertoc voorzichtig, maar Gabriëlle hield hem tegen met een opgeheven hand en vervolgde: „Luitenant Vertoc, ik vergiste mij zojuist in uw naam en ik schaam mij daar diep voor. Ik kan u niet uitleggen waardoor dat kwam, maar welke geloofwaardig klinkende reden ik daar ook voor zou hebben, het is héél fout van mij dat ik me vergiste in de identiteit van degene die mijn leven gered heeft. Vergeef mij mijn vergissing en aanvaard mijn oprechte dankbaarheid, luitenant Vertoc.” „…Uw woorden doen mij goed, Hoogheid,” knikte Vertoc langzaam. „En als ik zo vrij mag zijn: het zou ú misschien goed doen om u te laten onderzoeken door de medica Ishtaran. Zij zou u ook kunnen helpen met uw pantserplaten.” „Ja, medica Ishtaran wil me daar vàst wel mee helpen,” fluisterde Gabriëlle, waarop haar onvrijwillig geleende hart plotseling sneller ging kloppen bij een nieuwe emotie. „Of anders… misschien de koningin — mijn moeder — wel!” Veel te langzaam naar haar zin kwam het paleis dichterbij. |
|||||
|