| |||||
„Til mij op!” zei Tirashya. „H’m? Waarom?” vroeg Lidhia verbaasd. „Nee, dat stáát er,” verduidelijkte haar zusje. „O, zo!” begreep Lidhia nu. „Prinses Tirashya, mag ik u verzoeken een vergelijkende blik te werpen op dit vel hier uitgespreide yithri, alstublieft?” kwam nu de magister tussenbeide, met een wijds gebaar richting de tafel. Tirashya knikte en zwom op, om boven het tafelblad stil te houden. „Hé! Datzelfde teken staat ook op die tegel onder die kast!” ontdekte ze direct in opperste verbazing. „En die… en die óók! Hoe wist u dat, magister?” Toenak antwoordde met een brede lach: „De plaatsing van deze meest recente vondst binnen de chronologie van de zich ontwikkelende gebeurtenissen deed het vermoeden rijzen.” Lidhia herkende de tekens op het yithriblad ook en vroeg: „Dat is toch de lichtende tekst in de metalen ring?” „Uw verstand legt daar de correcte connectie, Hoogheid,” bevestigde Toenak haar vermoeden. „Dus dat betekent…,” begon Lidhia voorzichtig, zonder haar zin af te maken. „Ik denk dat dat ‘Til mij op’ de vertaling is van die vreemde tekens onder de kast!” glunderde Tirashya. „Uw kans op een kloppende conclusie is in mijn optiek zéér wel aanwezig, Hoogheid,” knikte de magister. „En daarmee bestaat de mogelijkheid van een eerste aanzet tot een, zij het summiere, sleutel tot vertaling van het Klassiek Waterlings naar de heden ten dage algemeen geaccepteerde vorm van onze taal!” „Maar… wat moet er dan opgetild worden?” vroeg Lidhia zich hardop af, met een nadenkende blik op de donkere holte onder de kast. „Die bodemplaat, denk ik,” meende Tirashya. „Ik denk dat Pappa daar beter even bij kan helpen,” vond Lidhia. „Hij zal het óók willen zien!” Ze wilde wel dat ze hem àlles kon vertellen… „Ik zal hem even halen!” bood Tirashya direct aan, waarop ze wegzwom. „Ik zal alvast verdergaan met het aan de kant halen van die boeken,” besloot Lidhia, waarop ze de daad bij het woord voegde. „Vindt u het ook niet zo wonderlijk toevallig, magister, dat wij juist op dit moment deze tekst vinden, in deze tekens? Ik bedoel, als ik hier vanmorgen en nu niet gezocht had naar mijn dagboek…” „…dan was deze bibliotheek niet ontwricht geworden en in dat geval waren wij thans nog niet op de hoogte van de woorden die zich onder dit antieke kabinet blijken te bevinden in juist die taal waarvan wij op zoek zijn naar een ontcijfering,” vulde Toenak haar zin aan. „Wonderlijk, hè?” herhaalde Lidhia dat woord, dat een gevoel van verwondering bij haar opriep. „Dergelijke ogenschijnlijk coïncidentele verbindingen tussen significante incidenten duiden volgens mijn ervaring op de uitermate subtiele directe inmenging van de Almachtige in de stroming van onze levens, Hoogheid,” fluisterde de magister. Lidhia dacht daar even over na: eerst over de zin, daarna over de betekenis ervan. Ze rilde bij het opgewonden besef dat haar plotseling overviel. Bemoeide de Almachtige Zich direct en persoonlijk met háár, en met wat zij beleefde!? „Denkt u dat ècht?” vroeg ze vol ontzag bij het nieuwe idee dat zich voor haar ogen openvouwde als een kleurrijke anemoon. De magister knikte plechtig, en zei: „Zulks is mijn stellige overtuiging, Hoogheid. Maar al te vaak zijn onze oogleden voor dat inzicht gesloten, helaas.” Het kostte de waterlingen ongeveer een half uur om die kant van de bibliotheek zo ver opgeruimd te krijgen dat de kast, die de vreemde tekst verborgen had, aan de kant kon worden getild. Koning Silvaeo, generaal Korfos en Rehinor zetten er hun schouders gezamenlijk onder en sleepten het gevaarte met vereende krachten opzij. „Ja, twee korte regels tekst — waarvan de tweede in het Waterlings!” stelde Rehinor zakelijk vast, waarop Tirashya vroeg: „Die eerste is toch zeker óók Waterlings?” Even wist Rehinor niets te zeggen — een detail dat Lidhia met genoegen opmerkte. Toen antwoordde hun broer: „Nou, Klassiek Waterlings is wel even wat anders, hoor…” Tirashya giechelde even. Van dàt specifieke detail genoot Lidhia pas ècht. „De vraag is, hoe kunnen wij deze stenen plaat optillen?” vatte Silvaeo het probleem samen. „De naden rondom de steen lijken alle nauwkeurig aan te sluiten zonder enige ruimte te bieden voor enig gereedschap, om nog maar te zwijgen van het feit dat ze dichtgeslibd zijn,” streepte Murox enkele voor de hand liggende mogelijkheden weg. „Koningin Quevéra, prinses Tirashya, ontwaart één van uw beide Hoogheden enige verdere ruimtelijke anomaliteit rondom, of met betrekking tot, de bodemplaat die het onderwerp vormt van onze gierigheid inzake eventuele nieuw te verkrijgen informatie?” vroeg de magister hoopvol. „Pardon?” vroeg Tirashya, die die volzin zo gauw niet wist te verwerken. Quevéra liet zich al tot vlak boven de plaat zinken en luisterde ingespannen terwijl alle verdere aanwezigen toekeken. „Ik verneem geen verborgen details,” zei ze al snel. „Probeer jij het eens, Tirashya?” Het prinsesje zette zich af en liet zich, in tegenstelling tot haar moeder, tot ongeveer anderhalve meter boven de korte tekst door het water glijden. Iedereen zweeg weer afwachtend terwijl Tirashya zich nog wat verder boven de bodem liet stijgen. „De steen is precies hetzelfde als de stenen er omheen,” zei ze. „Ik zie er alleen een ondiepe open ruimte onder. Maar dat is ècht het enige verschil dat ik zie! En die letters, dan…” „Kun je niet meteen even kijken wat eronder ligt?” vroeg Rehinor schertsend. „Nou!” beet Tirashya hem toe. „Rehinor, dat was niet bijzonder leuk,” vond Quevéra. „Nee, moeder,” gaf Rehinor toe, waarop hij inbond. Generaal Korfos leidde de aandacht van het onaangename moment af door met een praktisch voorstel te komen: „Majesteit, zouden zuignappen ons bij deze operatie van dienst kunnen zijn?” Silvaeo straalde: „Een uitstekend idee, generaal! Zijn wij in het bezit van zuignappen die een tegel van dit formaat kunnen opheffen?” „De gebroeders Mathon gebruiken dergelijke instrumenten in de boekbinderij,” wist Korfos. „Ga, maak uw selectie en zeg dat koning Silvaeo de instrumenten tijdelijk nodig heeft,” beval de koning direct. Korfos zwom de bibliotheek al uit. |
|||||
|