| |||||
„Zou dat niet beschouwd kunnen worden als ‘grafroof’, Hoogheid?” controleerde kapitein Relon voorzichtig. Gabriëlles enthousiasme dimde wat bij die vraag. „Mmmm,” reageerde ze, met een verlegen om hulp vragende blik richting de medica. Ishtaran overwoog de vraag van de kapitein, voordat ze een tegenvraag stelde: „Wat ligt daar eigenlijk, Hoogheid?” „Een opengevallen opbergschelp met ruilschelpjes!” rapporteerde Gabriëlle met een toon in Lidhia’s stem die volgens haar wel duidelijk moest maken dat dat een belangrijke ontdekking was. De woorden ‘opbergschelp’ en ‘ruilschelpjes’ die ze via Lidhia’s mond voor het in haar gedachten verstuurde ‘geldkistje’ en ‘munten’ gebruikte, veroorzaakten vreemd wantrouwende blikken op zowel het gezicht van de medica als dat van kapitein Relon. „…Wat is er?” vroeg ze onschuldig. Toen bedacht ze het. „Oh…,” bloosde ze verschrikt. „Maar het gaat me niet om de waarde van de ruilschelpjes! Ik wil ze alleen graag bekijken omdat er misschien seizoensnummers op staan!” Het viel niet moeilijk te bepalen dat haar metgezellen het zo gauw niet volgden. Ze zuchtte eens diep — het koude water was goed door Lidhia’s lichaampje te volgen — en kreeg een idee dat de moeite van het proberen waard leek. Ze ging nu toch voor prinses Lidhia door? En Lidhia praatte heel gemakkelijk over Gabriëlle. Nou, dàt kon zij ook! „Op ruilschelpjes van de luchtlingen staan tekens, die het seizoensnummer voorstellen. Misschien kan Gabriëlle daar informatie uithalen. Het kan ook voor òns onderzoek heel belangrijk zijn om meer te weten te komen over de luchtlingen, of niet dan?” „In dat geval lijkt het me verstandig om uw vondst inderdaad te onderzoeken, Hoogheid,” knikte Ishtaran haar met een begrijpend glimlachje toe, waaruit Gabriëlle haar goedkeuring opmaakte. „Maar laten wij alle attributen die wij vinden inderdaad verder ongemoeid laten uit respect voor de luchtlingen.” Gabriëlle was het met dat respect wel eens, maar ze sputterde wèl tegen: „En dan? Als de paleiswacht en de Koninklijke Garde dit drijftuig voorgoed moeten bewaken uit angst voor grafroof, moeten al die soldaten dan voor altijd hier de wacht blijven houden?” Ze zag dat die vraag in de smaak viel bij kapitein Relon en verwachtte daarom zijn steun, dus ging ze verder: „Dan kunnen we de waardevolle spullen toch net zo goed veilig in het paleis opbergen? Is dat niet wat koning Grecadec óók gedaan heeft, toen?” De kapitein knikte en bromde inderdaad goedkeurend, maar Ishtaran reageerde vrij direct: „Als ik het mij goed herinner kreeg hij daarmee ook problemen, evenals koning Dachitroh ná hem!” Daar had Gabriëlle niet van terug. De medica onderbouwde haar argument verder met: „Totdat uw vader de opdracht geeft om spullen uit dit wrak te bergen, laten wij het netjes rusten, Hoogheid. We hoeven de spanning, die er tòch al van gekomen is, niet verder op het koraalrif te drijven… dat lijkt mij niet verstandig.” Relon keek weg. Het leek Gabriëlle duidelijk dat hij zijn manschappen (en waarschijnlijk zichzelf) in nuttiger taken zag dan de bewaking van een grafmonument. Ze trok Lidhia’s mond even scheef en gaf toen toe: „U hebt wel gelijk, medica. Maar mag ik deze spullen hier nu wèl naar boven halen, zodat we ze kunnen bekijken? Als we ze alleen maar een stukje verplaatsen zonder ze echt uit het drijftuig te halen is er toch niets aan de hand? En helemaal als we ze straks weer terugleggen, toch?” Ishtaran overwoog dat even. Toen antwoordde ze met een opgetrokken wenkbrauw richting de kapitein: „Goed. Maar ik wil niemand in de buurt hebben.” Relon knikte haar zwijgend toe en zwom dadelijk bij hen weg om zijn ondergeschikten verder te instrueren. Nog geen minuut later liet Gabriëlle Lidhia voorover door het gat in het broos geworden dek duiken. De schaduw van de prinses viel in scherp contrast op de vlokkige bodem van de lage, bijzonder duistere ruimte die haar aan alle kanten omringde. Ze huiverde even bij de gedachte dat ze op dit moment duidelijk zichtbaar was voor alle eventuele zeegriezels die zich om haar heen verscholen hielden — en dacht aan hoe Tirashya was aangevallen door die reusachtige zeekat. Bewust richtte ze zich op haar doel: de munten naar boven halen! „Het is echt zó lastig dat ik mijn lumi niet kan aansturen!” klaagde ze richting Ishtaran, die aan de schaduw van haar hoofd en schouders te oordelen van bovenaf met haar meekeek. „Ik zwem mijzelf nu in het licht!” „Lastig,” vond de medica. „Lukt het op de tast?” „Ja hoor, het gaat wel,” antwoordde Gabriëlle, terwijl ze de handen van haar vriendin voorzichtig door de uitgewaaierde hoop munten liet graaien om er zoveel mogelijk in één keer bij elkaar te vegen. Met twee handen bij elkaar gehouden trok ze Lidhia’s flippers door het gat om zich om te keren. Als ze op de vloer van de kajuit stond, kwamen haar schouders nèt boven het dek uit. „Dit is veel makkelijker, zo,” gaf ze te kennen terwijl ze haar handen op het dek leegde. „Kijk, zó zien luchtlingse ruilschelpjes eruit. Het zijn metalen schijfjes met een paar tekens erop zodat ze makkelijk herkend kunnen worden.” Ze kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en pakte één van de in vergelijking nog redelijk nieuw ogende munten uit het hoopje op om naar het jaartal te zoeken. „Ze zien er wel mooi uit, hoor!” vond Ishtaran, die toekeek hoe Lidhia met Gabriëlles interesse fronsend het koperstuk bekeek. „Een beetje eenvoudig, misschien, vergeleken met ònze…” De ogen van de prinses werden plotseling groot. „Een V.O.C.-munt!? Zeventienvijfenvijftig!” fluisterde Gabriëlle en ze greep een ander muntje. „Zeventiennegenenveertig!” Het volgende muntje moest ze even omdraaien, voor ze vaststelde: „Zeventienzevenenzestig!” Ze keek de medica aan en sprak haar gedachte hardop uit: „Als ik ze nu eens op volgorde van seizoensnummer leg…?” Ishtaran knikte. Direct voerde Gabriëlle haar idee uit. Met open ruimte voor jaartallen die ze nog niet tegengekomen was maakte ze regels van muntjes met gelijke jaartallen. Al gauw was ze klaar — en werd de ondergrens gevormd door een muntje uit 1734 en lag de voorlopige bovengrens bij zes munten uit 1768. „Waren dit alle ruilschelpjes?” vroeg de medica, die intussen onder aanwijzingen van Gabriëlle de luchtlingse cijfers en getalweergave bestudeerde. „Nee,” herinnerde Gabriëlle zich. „Er zijn er nog veel meer!” Binnen een paar tellen had ze de tweede lading naar boven gehaald. Het sorteren ging verder, al leverde dat geen nieuwe ondergrens op. Wel was de bovengrens nu verschoven naar 1769, met elf muntstukken. De derde lading onthulde geen nieuwe bovengrens, maar het vroegst voorkomende jaartal was nu 1730 op een onooglijk, groen uitgeslagen koperstuk. Het was medica Ishtaran die dit muntje oppakte en ter controle aan Gabriëlle vroeg of dat seizoensnummer inderdaad buiten de tot dan toe gevonden grenzen lag. Daarop stelde ze voor om alléén de oudste en de nieuwste munt apart te houden en de rest bij elkaar te vegen om ruimte te besparen. „Daar gáát het toch om?” vroeg ze. De luchtlingse waterlinge knikte haar toe en begon de munten met tussenliggende leeftijden bij elkaar te vegen. Nog acht keer kon Gabriëlle een lading van twee handen vol munten naar boven halen. Bij de achtste keer dook ze gelijk nogmaals, om de paar laatste muntjes bij elkaar te sprokkelen. „Dus,” begon ze haar samenvatting van haar voorlopige eerste bevindingen even later. „De oudste munt is van zeventiendertig, en de nieuwste munten van zeventienvijfenzeventig. Tjonge…” Met een hopeloos verloren blik keek ze Ishtaran aan en zei: „Ik meende dat het een nagebouwd V.O.C.-schip was, maar… Niet, dus!” „Wat bedoelt u?” vroeg de medica nieuwsgierig. Gabriëlle keek verlegen naar de hoop munten en zwom omhoog uit het gat, waarbij ze oppaste dat ze zich niet met de handen op het dek afzette. Met een paar armvegen schoof ze de hele stapel — met uitzondering van één muntstuk van elk gevonden jaartal, die ze apart had gehouden — terug het gat in, waar de munten snel wiebelend naar de valse bodem zonken. „Dit gaat héél vreemd klinken,” mompelde ze aarzelend, voordat ze van wal stak en haar voorzichtig definitieve conclusie onder woorden probeerde te brengen. |
|||||
|