| |||||
Haastig liepen de mensen voorbij. Zij zagen haar niet, maar zij zag hen wel. Vanuit haar raam op de tweede verdieping zag ze dat iedereen haast had, haast om thuis te komen. En zij, zij zat op haar kamertje. Een echt thuis kon ze het niet noemen. Natuurlijk had ze geprobeerd het wat meer van haar zelf te maken. Maar écht gelukt was het niet. Ze was alleen, en eigenlijk was ze dat al zolang als ze zich kon herinneren. Ze oogde als een sterke, jonge vrouw die de wereld met gemak aankon. En dat maakte het nu juist zo moeilijk. Ze was anders dan de mensen dachten. Ze oogde vrolijk en blij, maar wie echt goed in haar ogen keek die zag iets anders. Die zag pijn en verdriet. Vroeger had ze haar masker, zoals ze het zelf was gaan noemen, niet zo vaak gebruikt. Toen waren haar emoties nog af te lezen op haar gezicht. Mensen vroegen dan hoe het ging en zij antwoordde naar waarheid. Maar aan de houding van de mensen had ze gezien dat ze niet echt geïnteresseerd waren in haar verhaal. Hun eigen verhaal was tenslotte veel interessanter. Uiteindelijk was ze haar masker gaan gebruiken. Nu lachte ze en deed ze vrolijk wanneer ze onder de mensen was. Dat was zoveel makkelijker voor hen én voor haar. Ze wist dat ze niet mocht ondergaan in zelfmedelijden en daar had ze ook geen last van. Het enige dat ze zou willen was een vriend, iemand om echt mee te praten. Iemand die haar begreep en naar haar luisterde en haar soms gewoon even vasthield. Er werd op haar deur geklopt, verbaasd keek ze op. Wie zou er bij haar aankloppen. Zolang ze hier woonde was dat nog niet gebeurd. Ze opende de deur en keek in het gezicht van een jongeman. “Goedemiddag, bent u mevrouw I. Bos.” Hij legde de nadruk nog eens extra op de ‘I’. Nog verbaasder dat de jongeman haar naam wist knikte ze bevestigend. “Dan wil ik u dit graag geven. Ik dank u voor uw tijd, een prettige dag nog mevrouw Bos.” Ze stond met het pakketje in haar handen en las haar naam. “Maar wie bent u en waar is dit pakketje van. Ik verwacht helemaal niets.” Toen ze op keek was de jongeman al verdwenen. Ze haalde haar schouders op, sloot de deur en stapte haar kamer weer in. Ze ging op de bank zitten, met het pakketje in haar handen. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Een wildvreemde jongeman die haar naam wist en haar een pakketje gaf. Het voelde alsof er niets in de doos zat, zo licht was deze realiseerde ze zich. Ze besloot het pakketje maar open te maken. Ze pakte een schaar en sneed het plakband door wat de deksel vasthield. Ze haalde de deksel van de doos en keek toen verbaasd naar de inhoud. Er lag in de langwerpige doos één witte roos. Een prachtige witte roos, volop in bloei. Ze pakte de roos en zag toen dat er een kaartje aan vastzat. Ze opende het kaartje en las: ‘Je bent niet alleen, Iantha.’ Er stond geen naam onder, alleen maar die ene zin: ‘Je bent niet alleen, Iantha.’ Ze begreep er helemaal niets van. Hoe wist iemand dat ze zich alleen voelde en dat ze naar een vriend verlangde. En nog meer, hoe wist iemand haar echte voornaam. Haar collega’s noemden haar Inge, familie die haar echte naam kon weten had ze niet meer en vrienden had ze al helemaal niet. De tekst op het kaartje was te serieus om dit alles als een grap te kunnen beschouwen. Er was iemand op deze wereld die wist hoe ze zich voelde. Ze vond het prettig, maar toch ook wel een beetje eng. Ze was al heel erg lang geen Iantha meer genoemd. Ze zette de roos in een vaasje en terwijl ze naar de tv keek die avond, ging haar blik zo nu en dan naar de prachtige witte roos die in de vaas op tafel stond. In de loop van de week kreeg de roos wat omgekrulde randjes aan de blaadjes en op een gegeven moment viel er een blaadje op de tafel. Toen wist ze dat het tijd was om de roos te drogen, want weggooien dat kon ze niet. Het kaartje bewaarde ze in haar dagboek, waar ze geschreven had over de jongeman aan de deur met het pakketje en het kaartje waarop die ene onverklaarbare naam stond: Iantha. De laatste keer dat ze Iantha genoemd was, was ze nog jong en onwetend geweest. Onwetend over hoe hard de wereld kon zijn en hoe je je daar tegen moest wapenen. Ze had nog moeten leren dat sommige mensen niet altijd het beste met je voor hadden. Ze wist de laatste keer dat ze haar naam had gehoord nog precies voor de geest te halen. “Iantha,” het was niet meer dan gefluister geweest die laatste keer dat iemand haar naam had uitgesproken. Het was haar vader geweest op zijn sterfbed, veertien jaar was ze. “Iantha, luister goed ik zeg dit maar één keer. Vertrouw op God Iantha, Hij zal zeggen waar je heen moet gaan. Hij zal je leiden op de juiste paden. Vertrouw hem en je hart. Zorg dat je lief hebt in je leven, waar je ook bent en wat je ook doet.” Braaf had ze geknikt, als een dochter die luistert naar haar vader, die hem vertrouwt. “Ik zal op Hem vertrouwen, papa en op u. U weet wat wijsheid is en wat goed voor mij is.” Jong als ze was, vertrouwde ze haar ouders volkomen. “Omdat ik er binnenkort niet meer zal zijn, en je moeder ons al eerder heeft verlaten, heb ik iets voor je moeten regelen. Je bent tenslotte te jong om alleen in dit huis te blijven wonen, daarom heb ik een voogd voor je aangesteld. Hij en zijn vrouw zullen je liefdevol in hun gezin opnemen.” “Maar moet ik ons huis dan verlaten? Oh, papa. Dit huis waar we altijd hebben gewoond.” “Het spijt me mijn kind, ons huis zal verkocht moeten worden. Daarbij komt dat meneer en mevrouw Jansen aan de andere kant van het land wonen en je zult begrijpen dat zij niet zomaar kunnen verhuizen.” Voor het eerst in haar leven had ze getwijfeld aan de keus van haar vader. Veel liever had ze in hun huis willen blijven wonen. “Ik neem aan de je zult begrijpen dat dit niet anders kan Iantha? Anders had ik wel een andere oplossing gezocht. Je weet dat ik van je hou en alleen het beste voor je wil, Iantha?" Ze kon niets anders dan knikken. Nog diezelfde nacht was haar vader gestorven en zo was ze op haar veertiende wees geworden. Die avond had ze voor de laatste keer haar echte voornaam gehoord. Er ging een week voorbij en nog een week en nergens hoorde ze haar echte voornaam. Een pakketje kwam er ook niet meer en langzaam vergat ze de tekst op het kaartje. Heel af en toe als ze de roos zag herinnerde ze zich het voorval weer. |
|||||
|